Is ons taalvermogen genetisch bepaald?

Zijn onze hersenen ervoor gemaakt om taal te leren? Is de mogelijkheid om een taal te leren terug te vinden in onze genetische code? Deze vragen staan centraal in deze les.

Het lesmateriaal

Het lesmateriaal bestaat uit de volgende onderdelen:

– De Powerpointpresentatie en een pdf-versie van die presentatie.

– De opdracht die in de les aan groepjes leerlingen uitgedeeld kan worden.

– Een docentenhandleiding.

Deze les is in een serie goed te combineren met de volgende lessen: Hoe is menselijke taal ontstaan?, Is de grammatica van alle talen hetzelfde? en Waarom kun je een zin niet letterlijk vertalen?

Ondersteunend videomateriaal

Wetenschappelijke onderbouwing

De merkwaardige talenknobbel van kinderen

In de jaren 60 kwam taalkundige Noam Chomsky met de theorie dat menselijke taal wel eens genetisch bepaald kon zijn. Hij stelde voor dat een kind dat nog niet eens zijn eigen veters kan stikken, maar wel al zijn moedertaal kan spreken, hulp moet krijgen vanuit de genetische hoek bij het leren van taal. Het is namelijk zeer bijzonder dat een kind haast instinctief weet hoe iets complex als de grammatica van zijn moedertaal in elkaar zit. Een Nederlands kind zegt al vanaf zijn derde levensjaar zinnen als “koekje eten!” of “bal schoppen!”, terwijl Engelse kinderen op deze leeftijd al consequent “eat cookie!” en “kick ball!” roepen. Deze uitingen laten zien dat deze kinderen al op zeer jonge leeftijd de onderliggende structuur van hun taal kennen. Het Nederlands stopt namelijk in principe alle werkwoorden (met uitzondering van de persoonsvorm) achter de voorwerpen in een zin, terwijl het Engels de werkwoorden er altijd voor plaatst.

Het herkennen van de grammatica is een uitzonderlijke prestatie voor zulke jonge kinderen: ze moeten geleerd hebben om uit een continue stroom van geluid klanken te onderscheiden, vervolgens moeten zij geleerd hebben dat deze klanken woorden vormen met een bepaalde betekenis en als laatste hebben ze geleerd dat woorden in een bepaalde volgorde moeten staan, zonder dat ze daar expliciete instructies bij hebben gekregen. Sterker nog, de taal waar een taallerend kind het meest aan wordt blootgesteld, de gesproken taal om hem heen, is vaak onvolledig en incorrect en tóch weet een kind hier de juiste regels uit te destilleren. Hoe krijgt een kind dat voor elkaar? Het brein van de mens moet ervoor zijn gemaakt om taal te leren, stelde Chomsky. Alleen was de wetenschap in de jaren 60 nog niet zo ver gevorderd dat hij dit direct kon aantonen.

Het FOXP2-gen

Totdat wetenschappers in 1990 onderzoek deden naar een Engelse familie met de codenaam KE. Binnen deze familie kampte ongeveer de helft van de familieleden over meerdere generaties met ernstige taalstoornissen. De stoornissen waren zo verdeeld onder de familieleden dat de onderzoekers het idee kregen dat ze werden veroorzaakt door een dominant gen, of een verzameling dominante genen, op een autosomaal chromosoom. Het was namelijk zo dat de stoornissen even vaak voorkwamen bij vrouwen als bij mannen. Na een lange zoektocht hebben de wetenschappers uiteindelijk het FOXP2-gen weten te lokaliseren op chromosoom 7, dat verantwoordelijk is voor de taalproblemen binnen de familie KE. Bij alle leden met een taalstoornis bleek dat dit gen zich abnormaal heeft gevormd. Dit heeft er bij deze mensen niet alleen voor gezorgd dat het taalcircuit in de hersenen wordt onderbroken, maar zelfs dat dit circuit anders is gevormd.

Het lijkt er dus op dat mensen inderdaad een gen hebben dat te maken heeft met de vorming van de hersenen waardoor een mens taal kan produceren. Het lijkt er ook op dat mensen de enige zijn die dit exacte allel bezitten. De variant van het FOXP2-gen die onderzoekers bij mensen hebben aangetroffen, is namelijk nog niet gevonden in andere diersoorten. Wel zijn er andere varianten van het gen bij bijvoorbeeld muizen en zebravinken gevonden. Wetenschappers hebben dit gen bij deze dieren gemanipuleerd, wat er onder andere voor zorgde dat zowel de muizen als de zebravinken moeite kregen met het communiceren van hun piepjes en zang. Hieruit blijkt dus dat het gen vooral te maken heeft met de productie van taal, waardoor het een te grote eer zou zijn om te spreken over het taalgen.

Verder lezen?

Chomsky, N. (1959). Language, (35), 26–58 .

Lai, C. S. L., Fisher, S. E., Hurst, J. A., Vargha-Khadem, F. & Monaco, A. P. 2001. A novel forkhead-domain gene is mutated in a severe speech and language disorder. Nature, (413), 519-523.

Pinker, S. 2001. Talk of Genetics and vice versa. Nature, (413), 465-466.

Lely, van der, Heather K.J., Steven Pinker. 2014. The Biological Basis of Language: Insight from Developmental Grammatical Impairments. Trends in Cognitive Sciences, (18), 586–595.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *