Hoe is menselijke taal ontstaan?

De menselijke taal wordt vaak gezien als hetgeen dat ons scheidt van de rest van de dieren. Is dit waar? En hoe kan het dat mensen een taalvermogen hebben ontwikkeld terwijl de rest dit niet heeft gedaan? Deze vragen staan centraal in deze les.

Lesmateriaal

Het lesmateriaal bestaat uit de volgende onderdelen:

– De PowerPointpresentatie en een pdf-versie van die presentatie.

– Een docentenhandleiding.

Deze les is in serie goed te combineren met de volgende lessen: Is ons taalvermogen genetisch bepaald? en Spreken ze in Zuid-Afrika een soort Nederlands?.

Ondersteunend videomateriaal

Wetenschappelijke onderbouwing

Het ontstaan van het menselijke intellect

Charles Darwin (1809 – 1882) en medewetenschapper Alfred Russel Wallace (1823 – 1913) worden gezien als de grondleggers van het idee van natuurlijke selectie. Daar waar Darwin ervan overtuigd was dat deze nieuwe theorie gebruikt kon worden om het ontstaan van het menselijk intellect te verklaren, was Wallace een stuk sceptischer. De theorie, gebaseerd op het idee van een overlevingsstrijd, kon immers niet verklaren hoe homo sapiens een brein hadden ontwikkeld dat ons in staat stelt om wetenschap te bedrijven en te filosoferen, terwijl dat zo’n 200.000 jaar geleden nog helemaal geen evolutionaire voorsprong was, zo redeneerde Wallace. Hij stelde daarom dat het menselijk intellect het bewijs was voor intelligent design. De mens was volgens Wallace op de aarde gezet door God om grotere dingen te bereiken dan de dieren, die afhankelijk waren van natuurlijke selectie.

De cognitive niche

Hoewel de theologische verklaring voor het ontstaan van het menselijk intellect van Wallace tegenwoordig weinig aandacht meer krijgt binnen de moderne wetenschap, had hij wel een valide vraag: hoe kan het dat de mens zo’n groot intellect heeft ontwikkeld terwijl dit niet direct nodig was? Volgens Pinker moet het antwoord op deze vraag niet bij God gezocht worden en diens plan voor de mensheid, maar moet men kijken naar hoe het intellect de mensheid tienduizenden jaren geleden kon helpen om zijn vijanden en zijn voedsel te slim af te zijn. Om zijn theorie te stoelen, maakt Pinker gebruik van de term cognitive niche. De congitive niche is een term bedacht door Tooby en DeVore en ligt in het verlengde van de term niche binnen het ecologische veld. Binnen de ecologie noemt men een plek die een soort kan innemen binnen een ecologisch systeem een niche. Voor de meeste dieren wordt deze niche bepaald door hun evolutionaire eigenschappen. Een vis kan onder de zee leven door zijn kieuwen en een planteneter kan bepaalde giftige fruitsoorten eten door een filteringsorgaan te evolueren zoals een lever.

Bij de homo sapiens ligt dit anders, zij hebben de mogelijkheid om een niche in te nemen binnen bijna elk ecosysteem door gebruik te maken van hun cognitieve vaardigheden. Een mens hoeft geen filteringsorgaan te evolueren om giftige sappen uit een plant te kunnen verwerken; hij onttrekt ze er zelf uit door middel van uitvindingen. Omdat de mens niet hoeft te wachten op de volgende evolutie om zijn vijanden en voedsel te slim af te zijn, heeft de mens een voorsprong op de rest van de organismen binnen een ecologisch systeem. Dit zien wij dan ook terug in de wereldgeschiedenis, waarbij de komst van de mens binnen een ecologisch systeem altijd heeft gezorgd voor een enorme afname van biodiversiteit binnen dat systeem.

Taal als adaptatie van cognitive niche

De cognitieve vaardigheden die een mens nodig heeft om deze niche in te kunnen nemen zijn diep met elkaar vervlochten. Als eerste heeft de mens de mogelijkheid om na te denken over oorzakelijke verbanden in de werkelijkheid, wat de mens een enorme hoeveelheid aan informatie verschaft. Met deze informatie kan een mens bijvoorbeeld vallen bouwen en voor zichzelf redeneren waarom iets op een bepaalde manier gebeurt en niet anders. Voor een dier dat afhankelijk is van deze informatie is het van belang dat hij deze informatie kan delen. Hier komt de taal van pas. De menselijke taal kan met zijn grammaticale structuren bij uitstek uitdrukken wat de relatie is tussen twee gebeurtenissen, wat het effect is van een bepaalde handeling, wat waar is en wat niet. Het kan niet zo zijn dat een systeem dat zo perfect is om causale relaties uit te drukken toevallig is ontstaan bij een diersoort die deze informatie gebruikt om andere dieren te slim af te zijn. Daarom concludeert Pinker dat het ontstaan van menselijke taal een adaptatie is van de mens om optimaal gebruik te kunnen maken van zijn cognitive niche.

Verder lezen?

Chomsky, N. (2016). The language capacity: architecture and evolution. Psychon Bull Rev, (24), 200-203.

Deacon, T.W. (1998). The symbolic species: The Co-Evolution of Language and Brain. New York en Londen: WW Norton & Company.

Pinker, S. (2003). Language as an adaptation to the cognitive niche. Studies in the Evolution of Language, (3), 16-37.

Pinker, S. (2010). The cognitive niche: Coevolution of intellegence, sociality and language. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America, (107), 8993 – 8999.

Tooby, J., DeVore, I. (1987). The reconstruction of hominid evolution through strategic modeling. The Evolution of Human Behavior: Primate Models, ed. Kinzey WG. Albany, NY: SUNY Press.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *